Tags

, , , , , , , , , , , ,

Vrouwen staan erom bekend dat ze graag winkelen. Nu is dat lang niet voor alle vrouwen zo, maar voor mij gaat dat wel op. Gelukkig ben ik hierin niet alleen, en zo maakte ik samen met 2 vriendinnen afgelopen maandag Utrecht onveilig.

 Na een aantal winkels te hebben bekeken, kwamen we terecht bij Giensch. Deze winkel heeft een prachtig assortiment vintage en nieuwe, op vroegere stijlen geïnspireerde kleding van het eigen merk. Hier beleefden wij the ultimate shopping experience : zo ongeveer alles in die winkel had de wow-factor.

Maar niet alleen het assortiment zorgde voor die ervaring. Ook verkoopster en medeblogger Tante Patent leverde hierin een belangrijke bijdrage. Met haar behulpzaamheid, vrolijkheid, tips en liefde voor het vak zorgde zij ervoor dat wij mooi aangekleed werden, met petticoats , hoedjes en al. Al met al zeer plezierig gewinkeld daar. Ik verliet de winkel met een corsage en een mooie rode fifties taillerok en kom er zeker nog terug voor al dat moois! (Sowieso voor een kanten jurk.. als er weer een is Tante, kun je dan me waarschuwen? 😉 )

Maar hoe ging dat winkelen nu in vroeger tijden? Het boek Spend, spend, spend! A history of shopping van historicus Jon Stobart biedt uitkomst op deze vraag. Het boek gaat over Engeland, maar helaas is er geen globaal overzicht over Nederlandse winkelcultuur… (en als het er wel is, zou ik het graag willen weten.)

In de middeleeuwen (ca. 500-1500) bestond het begrip ‘winkel’ nog niet zoals wij dat nu kennen. Veel  winkels aan de straat waren gecombineerd met woonhuizen: voorin een winkel, achter het woonhuis. Winkels waren nogal volgestouwd met spullen. Ze waren voorzien van luiken. Soms was er een aparte kamer met goederen voor de verkoop. Op de markt werden de spullen soms verkocht vanuit een kraam, maar vaker waren ze uitgestald op de grond. Klanten kwamen ook niet vaak binnen in een winkel: veel goederen werden ‘door het raam’ verkocht.

Vroegmoderne tijd:

Deze tijd (ca. 1500-1800) kende de opkomst van de winkelgalerijen (vaak gemodelleerd naar de Nieuwe Beurs van Antwerpen). Deze galerijen werden gebouwd in moderne stijl, en geplaveide weg omringd door een galerij, met grote glazen ramen boven de wandelpaden. De winkels zelf waren houten stallen. Rond deze tijd gingen winkeliers ook aan klantenbinding doen door middel van advies. De elite kocht thuis: de winkelier kwam bij hen op bezoek.

De beurs van Antwerpen
(foto afkomstig van www.dbnl.org )

Achttiende eeuw:

Veel winkelstraten werden aantrekkelijk gemaakt voor de consument, door introductie van nieuwe bouwmaterialen (baksteen, pleister) en neo-klassieke vormen van architectuur. Ook kregen winkels uithangborden om zich zo te profileren. Deze tijd kende de verschijning van een standaard type winkel, met 2 glazen winkelruiten aan de voorkant met daar tussen een centrale deur. Modieuze winkels waren mooi ingericht met spiegels, glazen displays, decoratieve pilaren en zuilengangen en aandacht voor goede verlichting zodat de koopwaar aantrekkelijk gepresenteerd werd. De verkopers presenteerden de verkoopwaar zo aantrekkelijk mogelijk om klanten te trekken en probeerden het klanten zoveel mogelijk naar de zin te maken, bv door stoelen te plaatsen. Ook werd onderhandelen over de prijs als een vaardigheid van de consument gezien, zeker in combinatie met de opkomst van vaste prijzen (wat overigens aan het eind van de 18e eeuw nog niet de standaard was).

Negentiende eeuw:

In deze tijd is de opkomst van kleine winkels die verschillende soorten goederen verkopen (Stobart noemt ze winkeliers). Opkomst van ‘monstershops’: emporia (mijn woordenboek heeft hier geen goede vertaling voor. Ik vermoed dat het een afgeleide is van het Griekse woord Emporium dat handelsplaats betekent). In deze tijd ontstonden ook van bazaars waar winkeliers een plek huurden. In ruil daarvoor zorgde de eigenaar van het warenhuis voor de inrichting van de verkoopplek en voor andere faciliteiten zoals bv toiletten (zeer belangrijk voor dames). Hervorming van markten: meer gespecialiseerde markten verschijnen. In de latere 19e eeuw kwamen winkels met verschillende vestigingen in verschillende steden.

Apothekerij  (foto: Beeldbank Amsterdam)

(Bij deze korte beschrijving moet ik natuurlijk wel vermelden dat dit een heel beknopte beschrijving is. Voor meer details raad ik u aan het boek te lezen.)

… en de twintigste eeuw

In de twintigste eeuw hebben de trends uit de negentiende eeuw zich verder voortgezet. Het concept van zelfbediening ontstond en bedrijven creëerden eigen huisstijlen. Winkelen begon een vrijetijdsbesteding te worden (schrijfster des dezes is daar zelf een goed voorbeeld van). Wat betreft het winkelpersoneel: dat moest aan steeds meer eisen voldoen. Toen ik voor een vak over Westerse consumptiecultuur onderzoek deed naar het personeelsbeleid van de Bijenkorf, bleek uit de archieven van het warenhuis dat medewerkers meer en meer geselecteerd werden op basis van opleiding en persoonlijkheid. In het Centraal blad voor Israëlieten werden tussen 1892 en 1911 personeelsadvertenties van de Bijenkorf geplaatst. Daarin werd echter alleen in vermeld dat zij ‘een winkeljuffrouw’ of ‘twee jongemannen’ zochten. In deze advertenties werd bijna niet naar karaktereigenschappen gevraagd. In slechts twee advertenties zocht  men een ‘flinke juffrouw’ en een ‘flinke verkoopster.’ Later veranderde dat. In 1926 werd er in de krant gevraagd naar een ‘nette bediende’ en –opnieuw- een ‘flinke juffrouw’ en een ‘flink jongmensch’.  Vijftien jaar later waren de personeelsadvertenties van de Bijenkorf nog een stukje uitgebreider: in een aantal advertenties voor hoedenmaaksters en verkoopsters werd specifiek gevraagd om ‘goede smaak’ en ‘gewend om met goed publiek’ om te gaan.

Uit 1950 is er nog een mooi voorbeeld overgeleverd over wat men in de Bijenkorf zag als een goed verkoopster. Het instructieboekje ‘Tachtig jaar jong’ was bestemd voor de medewerkers van de Bijenkorf en bevatte informatie over hoe met de klant om te gaan, maar ook met collega’s.  Dit werd beschreven aan de hand van een aantal voorbeelden. In één van die voorbeelden komt Annie, een leerling-verkoopster in hetzelfde warenhuis, als klant stof kopen om zelf een nette jurk ‘voor de zaak’ te maken. Zij wist wat zij wilde: degelijk en niet al te veel geld uitgeven. Als goed voorbeeld werd aangegeven dat de collega-verkoopster Annie vriendelijk begroet, waardoor Annie haar schroom overwint en uitlegt wat zij zoekt. De verkoopster helpt haar uitgebreid en denkt met haar mee: zo geeft ze Annie niet alleen advies over de verschillende stoffen, maar helpt ze haar ook aan een patroon , fournituren en aan een extra voordelige coupon voor een blouse.  Annie is blij dat zij zo goed geholpen is en kijkt vol bewondering naar deze verkoopster op: ’t Is fijn als je zó goed kan verkopen! Zo wil ze het óók graag leren.’

Ik moet zeggen dat ik verkopers en verkoopsters kan waarderen die met je mee denken. Het winkelt toch een stuk prettiger als je goed en uitgebreid geholpen wordt. Tante, bedankt!

Dit ging mee naar huis. Inclusief detailfoto van de rokstof.


Advertenties